Ooit hadden woorden een herkenbare betekenis, terug te herleiden naar het Grieks of Latijn. Daar was wel wat voor te zeggen, ook al kende je het woord niet in zijn geheel, met de onderdelen kon je de betekenis grotendeels achterhalen.

An-alfabeet betekent dat je het alfabet niet machtig bent. Nu zijn mensen, maar zeker ook docenten digibeet. Maar wat is een digi? En hoe pak je die beet? Letterlijk genomen zou een digi-taal geschoolde bèta uitstekend met een computer overweg moeten kunnen. Het woord digibeet bekt lekker, maar dekt de lading niet.

Docenten die niet al te veel kaas hebben gegeten van het gebruik van computers in een schoolomgeving, zouden volgens pseudo- (ook wel semi-) klassieke principes ook a(n)- (niet) qwerty (zie toetsenbord) genoemd kunnen worden.

Deze anqwerty’s doen er goed aan de gadget- en elektronicafora op internet (via het scherm) te volgen. Daar valt te lezen en te zien wat de jeugd met al die hebbedingetjes kan en dus waar je in de klas op moet letten.

Maar helaas is deze term niet wereldwijd toepasbaar: Fransen gebruiken een azerty-toetsenbord, Oost-Europa een quertzbord en Rusland legt de vingers op het jcuken-клавиатура. Er is natuurlijk ook een f-keyboard: in Turkije. Daar is qwerty vervangen door fgǧiod en dan laten we Azië nog buiten beschouwing.

Zijn er andere mogelijkheden? Scherm- of toets-o-foob? Zit iets te veel angst in. Maar de jeugd is wel te kwalificeren als ‘mobilofiel’. En demobiliseren zou ook kunnen staan voor het afpakken van mobieltjes bij oneigenlijk gebruik. Misschien moeten we het zoeken in het bekende, en behoorlijk internationale idee rond dys- (beperkt) lexie (van lexus: woord). Dys-compu-lexie valt te herleiden tot slecht computers kunnen lezen. Maar het gaat om het geheel van onbegrepen elektronica: dyslectronie?

Ik hoop op een beter passend woord voor de ontoereikende voeling met onze ‘kennismaatschappij’. Suggesties welkom!

Antos Szkudlarek